BROK STUKKEN
2. DE BROCKENHOEVE
Wolterus Broc.
Wolterus Broc zat met zijn vrouw Helwigis die warme nazomeravond in 129o op de door zijn vader Jan gemaakte boomstambank naar zijn boerderij te kijken, een prachtige grote hoeve, die in de volksmond al de Brockenhoeve werd genoemd. Hij had goed geboerd en was nu een vermogend man. Hier in Ghesel was hij iemand. Hij werd Wolterus of vaak ook Wouter Broc genoemd, soms ook Wouter de Ghesel, als hij in andere plaatsen kwam om spullen te kopen.
Ghesel was maar een gehucht bij Helvoirt. Er stonden maar enkele grote boerderijen. Helvoirt lag op de scheiding van een moerasgebied en hoger gelegen grond. Er was daar een doorwaadbare plaats, een “voort” en de “hel” wees op hogere grond. Die doorwaadbare plaats was in de buurt van de kerk in de weg naar Vught, bij de Helvoirtse Dijk. Het hele gebied in het noorden was moeras, broekland en dorre heidevlakte. Om door dit gebied te komen liepen de paden over de hoger gelegen gronden van de ene doorwaadbare plaats naar de andere. Dit gebied werd doorsneden door talrijke riviertjes en beken.
Regelmatig kwam hij in herberg “De Engel”, die in Helvoirt aan 't Eind lag, met de Kerkstraat en Molenstraat aan weerskanten, daar waar ook de grote zandweg van Tilburg naar 's-Hertogenbosch de straten kruiste. Soms was het druk in de vele herbergen, wanneer er weer handelaren langs trokken op weg naar Den Bosch of naar Oisterwijk. Wouter ging er graag na gedane arbeid wat bier drinken. Er werd daar soms onderhandeld over zaken, maar ook ging hij er graag heen om naar de vele verhalen te luisteren over vreemde plaatsen en vreemde dingen.
In de buurt bevond zich de windmolen van Helvoirt, waar Wouter met zijn graan regelmatig naar toe ging. Zijn vader Jan, die de hoeve had uitgebouwd en veel land had ontgonnen, was door het zware werk helaas al overleden toen Wouter net volwassen was. Zijn moeder was al bij zijn geboorte overleden. Het was zwaar geweest om alleen verder te gaan, maar al snel had hij zijn lieve vrouw Helwigis ontmoet. Dat was in Oisterwijk, waar hij voor zaken naar de nieuwe schepenbank was geweest. Ze waren getrouwd en hadden vijf kinderen gekregen: Johannes, Heilwigis, Jan Wouter, Aleijdis en Engelberna.
Het was hard werken op de grote hoeve. De Brockenhoeve, met al het land, was enorm groot. Het lag op de grens van de buurtschappen Gijzel en Udenhout en reikte tot Biezenmortel. Ze hadden zes mudzaad land en de hoeve was wel negen bunder. Ook hadden ze nog verschillende bunders beemd in de buurt van Haaren en heide bij Giersbergen.
Zijn zoons Johannes en Jan Wouter hielpen hem mee. Zijn zoon Johannes, die met Bessela getrouwd was, zou als hij er niet meer was, de hoeve gaan overnemen. Ze hadden net hun tweede kind gekregen: Gerardus.
Vanaf de bank keek Wouter naar zijn andere zoon Jan Wouter, die met een grote spade de stal in ging en verbaasde zich er over, dat die nog zo laat aan het werk was. Wat kon die hard werken.
Wouter zuchtte, keek Heilwigis aan en zei: “Vrouw, we hebben het prima gedaan. We hebben een leuk stel kinderen. En onze kleinkinderen Wouter en de nu pas geboren Gerardus van Johannes en Bessela maken het compleet"
"Ja dat is zo!" glimlachte Heilwigis.
De stilte van de zomeravond nam weer bezit van hen. Hij keek hoe de kraaien op het strooien dak insecten zochten. Een konijn huppelde van de hoek van de schuur naar een verderop gelegen struik. Wouter glimlachte. Nadat hij zijn vrouw een zoen had gegeven, legde hij zijn hand om haar schouder. Ze genoten nog lang van de mooie avond.
Johannes de Gheselle
Het ging niet goed. Johannes de Gheselle had pijn in al zijn botten. Hij kon maar moeilijk lopen. Het was vorig jaar plotseling gekomen. Een vreemd soort ziekte had al zijn botten stijf gemaakt. De laatste jaren waren trouwens slechte geweest. Eerst was zijn zwakke oudste zoon Wouter overleden, daarna was vader gestorven. De erfenis werd verdeeld: elk kind kreeg een vijfde deel van de hoeve en het land. Heilwigis, zijn moeder, mocht blijven wonen en was toen zo lang de eigenaresse geworden van de hoeve. Maar twee jaar geleden was ook zijn moeder overleden en nu stond Johannes er alleen voor met zijn vrouw Bessela. Alleen de achttienjarige Gerardus en zijn twee jaar jongere broer Henricus hielpen hem zo veel ze konden.
De jongste, Arnoldus, was leerling gewantsnijder geworden in 's-Hertogenbosch. Hij was afgelopen jaar vertrokken om bij een meester het vak te leren van gewantsnijder. Je moest de kwaliteitsverschillen van wol en lakense stoffen herkennen, je moest de els (meetstok) kunnen hanteren, de loodjes (keurmerken van de stad) weten en je moest kaarsrecht en foutloos de peperdure stoffen kunnen snijden. tenslotte moest je kunnen verkopen. Johannes had er alle vertrouwen in dat zijn zoon Arnoldus tenslotte meester zou worden. Johannes was trots op hem.
Hij zag zijn zus Helwigis uit haar huis op de hoeve komen. Zij was nog ongetrouwd en hielp graag oudere mensen of moeders met kinderen.. Ze was een zorgzaam iemand.
Zijn andere zussen waren al getrouwd . Aleijdis met Bertoldus Stempel en Engelberna met Joannes Roosekens. Zijn broer Jan Wouter woonde in een huis verderop en was ook al getrouwd en had vijf kinderen.
De hoeve was nu zijn zaak en ondanks verschillende knechten, die in dienst waren, ging het niet goed. Hij kon vanwege zijn onwillige botten niet meer zijn land bezoeken en wist te weinig wat er gebeurde.
Uitgeput rustte Johannes op zijn stok. Heilwigis kwam naar hem toe en bracht hem naar binnen.
Gerardus Broc
Gerardus Broc was weer eens terug op de Brockenhoeve. Hij woonde nu in 's-Hertogenbosch. Samen met zijn vrouw Metta en hun twee kleine kinderen Johannes en Peter waren ze op bezoek bij oom Jan Wouter en zijn tweede vrouw Heilwigis van Erpe. Ze dronken een pul bier aan de tafel.
"Wanneer komt de kleine?" vroeg Jan Wouter aan Metta, die duidelijk zichtbaar in verwachting was. "Over een maand of twee, denk ik." antwoordde Metta.
Gerardus moest terugdenken aan wat er allemaal gebeurd was. Nadat zijn zijn vader in 1312 was overleden, kwam zijn moeder Bessela er achter, dat de schuldenlast wel erg hoog was opgelopen. Er was geen oplossing mogelijk op dat moment. De hoeve was niet meer te redden. Zijn moeder moest afstand doen van haar rechten op goederen in Udenhout. De kopers, Bossche investeerders, hadden het oude huis van zijn oma, waar op dat moment zijn tante Helwigis woonde, laten afbreken, zodat zijn tante , figuurlijk gesproken, op straat werd gezet.
Gerardus had toen besloten zijn geluk in 's-Hertogenbosch te gaan zoeken, terwijl zijn broer Henricus naar Helvoirt was gegaan.
Oude korenmolen bij Helvoirt (Molendatabase, ansichtkaart serie 56, nr 5)
Het jaar voor de dood van zijn vader had zijn oom Jan Wouter de windmolen van Helvoirt gekocht. De molen bevond zich op de Herstraet. Dat was een prima zet geweest. De molen was een dwangmolen (banmolen), wat betekende dat de Hertog van Brabant bepaalde, dat alle boeren van de omgeving hun graan moesten malen op deze molen. Zijn oom had nog verteld, hoe hij in de woning van Gheenken Visser, de vorige molenaar en met Jannne van der Plasch, de rentmeester van Brant en de schout van 's-Hertogenbosch de koop had beklonken.
Zijn oom deed fantastische zaken. Dankzij de inkomsten werd hij vermogend en met dat geld kon hij de verloren grond en de Brockenhoeve terugkopen.
Gerardus was dolblij, dat hij hier af en toe op bezoek kon komen op deze plek, waar hij geboren was. Tevreden nam hij nog een slok bier.
Ze hadden het nog een poos over allerlei zaken, voordat Gerardus besloot met zijn gezin weer terug te keren naar 's-Hertogenbosch.
Terug naar
Maak jouw eigen website met JouwWeb